Muziekmuseum Vleeshuis: “Dag Bas, vertel eens kort wie je bent.”
Bas: “Ik ben Bas Neelen, ik woon in Gent en ben klavecimbelbouwer van beroep. In 2023 ben ik afgestudeerd in de opleiding Instrumentenbouw aan KASK & Conservatorium met als specialisatie klavecimbelbouw. De focus in die opleiding ligt op houten barokinstrumenten. Dat lijkt beperkt, maar de barokperiode biedt een gigantische keuze aan instrumenten en al hun variaties. In het derde bachelor jaar maakte ik mijn allereerste klavecimbel: een reconstructie van een instrument uit 1644, ook uit de collectie van Muziekmuseum Vleeshuis. Dat leverde meteen een onverwacht succes op: het instrument was nog maar net klaar toen klavecimbelspeler Frank Agsteribbe er interesse voor toonde. Frank heeft meer dan een uur lang met het klavecimbel geëxperimenteerd en er wat opmerkingen bij gegeven. Uiteindelijk vroeg hij of hij het mocht gebruiken voor zijn concert en een cd-opname. Ik geloofde mijn eigen oren niet!”
Foto: Frederik Beyens
Het topstuk ontleed
Muziekmuseum Vleeshuis: “En nu begin je aan een nieuw klavecimbelavontuur: een reconstructie van een Vlaams topstuk uit 1615. Hoe ga je dat aanpakken?”
Bas: “Wel, dat is gestart met een onderzoek van het originele instrument. Ik mat het klavecimbel op, keek naar de staat waarin het zich bevindt, probeerde uit te vissen welke materialen en bouwtechnieken er zijn gebruikt en ging op zoek naar sporen van historisch gereedschap. Ondertussen heb ik ook een hele reeks foto’s genomen en heb ik een technische bouwtekening klaar. Zo kunnen ook andere geïnteresseerden het instrument leren kennen.”
Muziekmuseum Vleeshuis: “Heeft dat doorgedreven onderzoek iets opgeleverd? Zijn er bijzondere technieken en materialen gebruikt?
Bas: “Absoluut. Er zijn vermoedens dat de gebogen kanten van Ruckers klavecimbels werden verhit boven een open vuur om ze te kunnen buigen. Dat wordt beschreven in vooraanstaand onderzoek. Of dat ook bij dit instrument gebeurd is, heb ik niet kunnen achterhalen. Maar het is wel een techniek die ik graag zou willen toepassen bij de reconstructie. Een analyse van de verf op de buitenzijde van het klavecimbel wees uit dat er veel kalk in de verf zit. Die kalk werd niet gebruikt als pigment, maar wel om de verf aan te lengen en te verdikken. Het lijkt me boeiend om de verf voor het nieuwe instrument op dezelfde manier samen te stellen. Ik heb thuis nog een potje kalkpoeder staan dat ik zelf gemaakt heb van een aantal witte krijtblokken die ik op het strand van Cap Blanc Nez vond. Dat lijkt me voor dit project heel geschikt. Voor de pigmenten ga ik hedendaagse varianten gebruiken. Vroeger haalde men kleuren dikwijls uit zware metalen zoals loodwit of kopergroen, maar dat verwerkingsproces is heel ongezond. Daardoor zijn ze ook moeilijk te verkrijgen. Met hedendaagse pigmenten kan je een gelijkaardig resultaat bereiken, zonder dat het gevaren met zich meebrengt. Ik ben ook bezig met het bestuderen van de bedrukte papieren op het instrument. Toevallig maakte ik een foto onder goede lichtomstandigheden en merkte ik hoe duidelijk de textuur was. Dat levert waardevolle inzichten op over hoe het papier werd gemaakt en welke historische technieken men hierbij gebruikte.”

Bas bij de krijtrotsen van Cap Blanc Nez
“In de toetsmechaniek gebruikte men vroeger nekharen van een everzwijn, vanwege hun natuurlijke veerkracht — dat is een techniek die ik ook graag in het nieuwe klavecimbel wil toepassen.”
Muziekmuseum Vleeshuis: “Vond je ook sporen terug van ‘vergeten’ gereedschappen die Andreas Ruckers gebruikte voor de bouw van zijn klavecimbel?
Bas: “Ja. De houten planken die hij gebruikte, maakte hij vlak met een bol schaafmes. Als je goed kijkt, zie je overal ‘golfjes’ op het instrument. Ik zou het me makkelijk kunnen maken en moderne apparatuur gebruiken om het hout van het nieuwe klavecimbel mooi vlak af te werken. Maar het lijkt me interessanter en leerrijker om die oude methode eens te proberen, zo’n bol schaafmes te maken en dat vakmanschap van weleer te ervaren.”
Bas: “Bij het bouwen van het instrument komt ook veel meetwerk kijken. Dat gebeurde vroeger anders dan nu. In de 17e eeuw mat men in Antwerpen met zogenaamde ‘voeten’ en ‘duimen’, waarbij een voet overeenkomt met 287 mm en een duim met een elfde ervan. Het lijkt me boeiend om het nieuwe Antwerpse klavecimbel op dezelfde, authentieke manier te bouwen met ‘voeten’ en ‘duimen’. Hiervoor ga ik speciale meetlatten maken met die typisch Antwerpse 17e eeuwse maten. Vandaag meten we in centimeters, millimeters enzovoort, maar vroeger vertrouwde men veel minder op die absolute waarden en eenheden. Met passer en liniaal maakte men de gekste vormen. Het mooie hierbij is dat elke stap volgt op een vorige en zo alles in harmonie uit elkaar ontstaat. Het resultaat is een krachtig geheel. Die technieken zijn we vandaag wat verleerd. Als bouwer kijk ik ernaar uit om die opnieuw te ontdekken en toe te passen.”
Speciale meetlat met de typisch Antwerpse 17e eeuwse maten

Bol schaafmes
